Droes

Droes is een fors besmettelijke ziekte, die bij paarden van alle leeftijden kan voorkomen. Vaak openbaart het zich met koorts en snotneuzen als uitbraak in een stal of op een manege. De hele groep kan besmet raken. Een heel groot deel van de dieren wordt ziek en een aantal kan er zelfs dood aan gaan.

De klassieke symptomen van droesbesmetting zijn, naast de hoge koorts (> 39ᴼC), voornamelijk (hele vieze) neusuitvloeiing met gezwollen lymfeknopen en abcesvorming aan het hoofd en de hals. De abcessen kunnen openbreken. In hele ernstige gevallen kan de keel worden dichtgedrukt, waardoor slikproblemen, snurken en moeite met ademhalen kunnen optreden. Soms is dit zelfs zo erg dat een buis in de luchtpijp geplaatst moet worden om vrijuit te kunnen ademen.

Over het algemeen verloopt de ziekte gelukkig veel milder, waarbij alleen de vieze neus of het hoesten optreedt. De koortspiek kan gemist worden. Jongere dieren hebben vaak ernstiger en langer verschijnselen dan wanneer de infectie optreedt in oudere dieren.

Er zijn ook een aantal ernstige complicaties die bij of na een droesbesmetting kunnen optreden. Paarden kunnen een long- en/of borstvliesontsteking ontwikkelen, de abcessen kunnen zich door het hele lichaam verspreiden en zo de belangrijke organen aantasten (verslagen droes) of het lichaam zelf geeft een hele overdreven immuunrespons waarbij de eigen bloedvaten of spieren ontstoken raken.

Droes wordt veroorzaakt door een β-hemolytische Streptokok, genaamd Streptococcus (S.) equi equi; voor het gemak even S. equi genoemd. Er bestaan nog andere Streptokokken die bij het paard van belang zijn, maar die niet deze verschijnselen geven.

Droes is een behoorlijk besmettelijke ziekte. De bacterie komt voornamelijk voor in de neusuitvloeiing en het materiaal (pus!) uit abcessen van besmette paarden. De omgeving, waaronder o.a. drinkbakken, harnas en kleding/handen van verzorgers, kan daardoor besmet raken.

De bacterie wordt ongeveer 24-48 uur na de koortspiek via de neus uitgescheiden. Paarden die geen symptomen meer vertonen kunnen zelfs 2-3 weken later de bacterie nog uitscheiden. Als er dragerschap ontstaat zelfs nog veel langer: de luchtzakken van een paard kunnen namelijk blijvend geïnfecteerd worden. Er zijn dan over het algemeen geen symptomen te zien, maar het paard kan zo wel droes blijven verspreiden en anderen besmetten.

In sommige landen is droes als besmettelijke ziekte aangifteplichtig, maar in Nederland nog niet.


Pathogenese

De incubatieperiode (tijd tussen besmetting en het optreden van klinische symptomen) bedraagt 3-14 dagen. De bacterie dringt het lichaam binnen via de mond of neusslijmvliezen. Via deze cellen verspreidt hij zich snel naar het lymfeweefsel van de voorste luchtwegen. De abcessen worden ondertussen langzaam gevormd en de bacterie wordt via de neus en keel alweer uitgescheiden. Vervolgens spreidt het zich ook uit naar de luchtzakken, waar soms een soort stenen gevormd worden uit ingedroogde pus. Dit is ook het moment dat de bacterie zich via het bloed en de lymfe naar elders in het lichaam kan verplaatsen en daar abcessen veroorzaken (verslagen droes). S. equi is zo handig dat hij met bepaalde eiwitten het immuunsysteem van het paard voor een deel kan omzeilen en met zijn enzymen de traditionele abcessen kan laten ontstaan.


Diagnose

De diagnose wordt in principe gesteld op basis van klinische verschijnselen en bevestigd d.m.v. een gevoelige PCR-test die de aanwezigheid van S. equi of stukjes van deze bacterie aantoont in een neusspoeling (84%), swab (79%) of luchtzakspoeling. Deze test negeert de aanwezigheid van S. zooepidemicus die normaliter ook voorkomt bij het paard. Het kweken (laten groeien) van de bacterie is erg moeilijk, deze test geeft dan ook de minste betrouwbaarheid en wordt eigenlijk niet meer gedaan.

Deze test is dus niet 100% betrouwbaar. Dat kan o.a. liggen aan het verschil in plaats waar het monster of spoeling is genomen (neus, keel of luchtzak). Als je heel vroeg in de besmetting test kan het zijn dat de bacterie nog onvoldoende wordt uitgescheiden en kan de test negatief terugkomen. In een enkel ander geval kan het zijn dat, ondanks de klinische verschijnselen, de test alsnog negatief terugkomt –  de bacterie is gemist of nog niet/in lage hoeveelheden op de slijmvliezen aangeland. Toch zul je wel in deze gevallen het paard moeten behandelen alsof hij droes heeft en zal de test later alsnog herhaald worden of kan er door een combinatie van testen de betrouwbaarheid verhoogd worden.

Met bloedonderzoek (serologie) kunnen antilichamen tegen S. equi worden aangetoond. Het immuunsysteem van de meeste paarden zal, nadat het aan droes is blootgesteld, een tijdje antilichamen gaan produceren om de infectie te bestrijden. Niet elk paard heeft echter zo’n afweerreactie.  Een andere moeilijkheid hierin is dat de gevormde antilichamen nog een tijdje langer aanwezig zijn, terwijl de S. equi alweer verdwenen is. Wederom een van de reden dat er in de bestrijding van droes meerdere testen worden uitgevoerd.

De aanwezigheid van antilichamen betekent dat het paard de droesbacterie in ieder geval is tegengekomen en het mogelijk zelfs (nog steeds) bij zich draagt. Bij deze paarden is het nuttig om alsnog een PCR-test af te nemen om te bewijzen dat het paard de bacterie bij zich draagt.

In het begin van een uitbraak is het mogelijk m.b.v. serologie de paarden te onderscheiden die al wat langer in contact hebben gestaan met de bacterie en die paarden die nog geen antilichamen hebben gevormd. Door deze in verschillende groepen onder te verdelen kan de uitbraak mogelijk ingeperkt worden.

Als na 14 dagen bij deze laatste groep nog steeds geen antilichamen gevormd blijken te zijn, hebben ze hoogstwaarschijnlijk  de infectie niet doorgemaakt (N.B. niet alle paarden maken antilichamen, de meeste gelukkig wel).

Als de verschijnselen na een uitbraak aan het wegebben zijn is het belangrijk te testen wanneer de paarden de bacterie niet meer uitscheiden en dus niet meer besmettelijk zijn. Dit wordt het best gedaan door een PCR-test van neus- en/of luchtzakspoelingen uit te voeren. Een enkele neusswab is niet voldoende vanwege de lagere betrouwbaarheid in dit stadium van infectie. Wel is het mogelijk deze 3 x te herhalen met een week tussentijd. Als ze 3 x negatief zijn zijn de uitslagen goed betrouwbaar. Op deze manier kunnen ook dragers opgespoord worden.

Het nadeel van droes is, naast de toch wel ernstige complicaties die kunnen optreden, dat de stal geïsoleerd moet worden voor een aantal weken, dat er dragers kunnen ontstaan, dat het veel tijd kost voordat alle paarden weer volledig hersteld zijn en er weer nieuwe paarden op het terrein toegelaten kunnen worden. Daarbij spelen natuurlijk de kosten van het testen en evt. behandelingen.


Rhinopneumonie

Rhino wordt veroorzaakt door herpesvirussen. Er zijn meerdere varianten, waaronder EHV-1, EHV-4. Beiden kunnen luchtwegklachten veroorzaken (met name in dieren < 3 jaar), maar EHV-1 kan ook neurologische symptomen en abortus veroorzaken. Vaccinatie voorkomt geen neurologische verschijnselen en kan ook abortus niet voorkomen, maar vermindert de klachten en de uitscheiding van het aantal virusdeeltjes bij infectie.

Bescherming is gebaseerd op de aanwezigheid en hoogte van de antilichamen (antistoftiter) in het bloed. Er is een duidelijk verband tussen de antistoftiter en de mate van bescherming. De antistofrespons na vaccinatie is echter van korte duur en frequente hervaccinaties zijn nodig om een zogenaamde beschermende antistoftiter te bereiken. Zelfs goed gevaccineerde paarden zijn dus vaak slechts gedeeltelijk immuun. Ze zijn dan beschermd tegen de ziekte maar niet tegen de infectie en zijn, aangezien ze nog virus uitscheiden, een infectiebron voor gevoelige dieren.

Op 5, 7 en 9 maanden van de dracht kan gevaccineerd worden ter verminderen van optreden van abortus bij een EHV besmetting. De eerste enting kan op 4 maanden gegeven worden. De tweede enting moet op 5-6 maanden gegeven worden en de de derde enting moet 4-6 weken na de tweede enting gegeven worden. Als men pas op 6 maanden de eerste enting geeft is een tweede enting 4-6 weken na de eerste enting volgens de gebruiksaanwijzing voldoende. Hervaccinatie dient vervolgens elke 6 – 12 maanden plaats te vinden.

Echter, voor paarden blootgesteld aan een hoog risico zoals competitie- en showpaarden, worden soms hervaccinaties om de 3 tot 4 maanden aangeraden.


Prognose

De meeste paarden herstellen, al kunnen ze er wel een tijd voor nodig hebben. Ze ontwikkelen immuniteit (bescherming tegen de ziekte), maar niet voor hun hele leven. Sommige paarden zullen drager blijven. In geval van complicaties zoals longontsteking of zoals eerder besproken kunnen paarden komen te overlijden.

In principe worden mensen niet geïnfecteerd, maar er zijn op de wereld wel een paar gevallen bekend.


Bij een uitbraak

Elk paard dat verdachte symptomen heeft moet onderzocht worden door de dierenarts die de juiste monsters zal nemen en beslissen of wel of niet direct medicamenteus behandeld moet worden

Over het overgrote deel is het het belangrijkst met lang genoeg rust en ondersteuning de paarden uit te laten zieken. Soms moeten de abcessen gedraineerd worden en er moet goed in de gaten gehouden worden dat de zieke paarden blijven eten en niet benauwd worden, anders kan dit zomaar een spoedprobleem worden.

Daarnaast moeten maatregelen in de stal genomen worden: Door het instellen van goede isolatie en hygiënemaatregelen zal de dierenarts proberen niet alle paarden de ziekte door te laten maken. Dit vraagt heel veel werk en toewijding van de stal- en paardeneigenaren.


Paardenpraktijk Lingehoeve Noord-Holland Dierenarts Paardenarts

Contact

Tel.

06 20 21 50 35





Voor spoed zijn wij 24 uur per dag bereikbaar op 06 20 21 50 35.

Voor algemene vragen en het maken van een afspraak zijn wij van maandag t/m vrijdag tussen 08:00-09:00 bereikbaar op bovenstaand telefoonnummer.


Hoofdvestiging

 

Veldstraat 3a

4033 AK Lienden

Tel: 0488 48 29 00

www.delingehoeve.nl